We leven in een rare wereld. Een wereld waarin mensen elkaar gewoon kunnen doodmaken. ’t Gebeurt dagelijks over de hele wereld en we verblikken en verblozen bijna niet meer van een oorlog in een land ver weg, een neergestort vliegtuig ergens ver weg of een dolgedraaide scholier, die een aantal medeleerlingen neerschiet. Soms schudden we ons hoofd en mompelen “t is toch wat?” en voort gaan we weer.
Maar plotseling schrikken we wel even wakker als het dichterbij komt. Een ernstig ongeluk, een moord op het zomerpark. Ineens zijn het mensen die je kent. Vol ongeloof reageren mensen. ‘Hoe kan dat nou?’ ‘Dat het ook hier kan gebeuren.’
Hoe vaak heb ik dat zinnetje nou al niet horen uitspreken. Drama’s waarbij mensen om het leven komen. En natuurlijk hoort doodgaan ook bij het leven, maar dan wel graag als je oud en bejaard bent. Als je een leven hebt geleefd.
We praten er over , zuchten een keer extra en gaan toch weer door.
Grote vraag is dan: gaan we er wat aandoen?
Gaan we alcohol en drugs bestrijden? In heel veel gevallen zijn dat namelijk de oorzaken van allerlei ellende. We zijn een tolerant volkje en alles moet kunnen, vinden we. En die derde: tolerantie of beter gezegd: nul tolerantie is ook een hoofdoorzaak van strijd.
Dus moeten we strijden om de vrede te bewaren.
Het blijft een ingewikkeld vraagstuk waar ik niet uitkom, want juist in een tijd waarin grenzen vervagen, moeten we ook leren grenzen aan te geven.
En als we dat goed kunnen, dient hoofdstuk 2 zich meteen aan: wat doen we met de mensen die over de grenzen gaan?
Volgende week een nieuw begin!
Rekel